## Transcriptie van het Nederlandse boek (OCR by Apple macOS) Two versions follow. The first is the macos transcription. Following is the version cleaned up by Claude. --- # macOS transcription from photos ## 23 november Goed weer en de wind zuidwest met een doorgaande koelte.'s Morgen merkten we dat ons roer boven in het gat van de roerpen gebroken was. We hielden met klein zeil bij de wind en hebben aan weerszijden een balkje vastgezet. 's Middags de bevonden hoogte van 42 graden 50 minuten en lengte 160 graden 51 minuten, koers behouden oost en gezeild 25 mijlen. We hadden hier een graad noordwestering die hier zeer snel afneemt. Naar onze gissing hebben we de westzijde van Nieuw-Guinea nu ten noorden van ons. ## 24 november Goed weer en heldere lucht,'s middags de bevonden breedte van 42 graden 25 minuten en lengte 163 graden 31 minuten, koers behouden oost ten noorden en gezeild 30 mijlen. De wind uit het zuidwesten en daarna zuiden met een slappe topzeilskoelte. Na de middag, rond vier uur, zagen we land. We hadden het oost ten noorden van ons, naar gissing op tien mijlen. Het was zeer hoog land. Tegen de avond zagen we in het oost zuidoosten nog drie hoge bergen en in het noordoosten zagen we ook twee bergen. Dat is minder hoog dan het land om de zuid. We hadden hier een rechtwijzend kompas,'s Avonds in het eerste glas nadat de wacht opgezet was, hebben we de scheepsraad en de onderstuurlieden voorgelegd of het niet beter zou zijn het van de wal in zee te steken, en gevraagd of zij dat raadzaam vonden. Er werd gezamenlik besloten om het na drie glazen van de wal te leggen en tien glazen lang in die richting te gaan, om dan weer in de richting van het land te zeilen, zoals uitvoeriger blijkt uit de resolutie van vandaag. Zodoende voeren we's nachts na drie glazen met zuidoostenwind van de wal af en hadden grond op 100 vadem: schoon, wit fijn zand met kleine schelpjes. Daarna wierpen we nog eens, en vonden we zwart grof zand met steentjes.'s Nachts hadden we een zuidoostelijke wind met slappe koelte. ## 25 november 's Morgens stil, we lieten de witte vlag en de topstander van achteren waaien, waarop de scheepsleiding van de Zeehaen met hun stuurlieden bij ons aan boord kwam. We hebben de brede raad bijeen geroepen en daarmee besloten hetgeen in de resolutie van vandaag te zien is, en daar uitvoerig uiteengezet is, waarnaar wij hier verwijzen. Tegen de middag kregen we de wind zuidoost en daarna zuid zuidoost en zuid; wendden het toen naar de wal. 's Avonds rond vijf uur kwamen we onder de wal. Drie mijl buiten de wal hadden we op 60 vadem koraalgrond, een mijl buiten de wal hadden we schoon, Gin wit zand. Deze kust bleek zuidoost en noordwest te liggen, een gladde kust. We hadden de hoogte van 42 graden 30 minuten en als gemiddelde lengte 163 graden 50 minuten. We voeren weer van de wal af, de wind liep zuid zuidoost met topzeilskoelte. Wanneer men uit het westen komt en men heeft vier graden noordwestering, dan moet men goed uitzien naar land, omdat de miswijzing hier heel snel afneemt. Mocht het gebeuren dat men een harde storm kreeg uit het westen. dan zou men wel bij moeten houden en niet verder zeilen. Hier aan de wal heeft men een rechtwijzend kompas. We namen de middellengte, die we samen hebben bepaald en gemiddeld, waaruit wij bevinden dat dit land op de lengte van 163 graden 50 minuten ligt. Dit land is het eerste land dat we in de Zuidzee vonden, en het is geen enkel Europees volk bekend. Daarom hebben wij dit land de naam gegeven van Anthonie van Diemensland, ter ere van de edele heer gouverneur-generaal, onze hoge overheid die ons heeft uitgezonden om deze ontdekking te doen.' De eilanden eromheen, voor zover we die konden zien, noemden we naar de edele heren raden van Indië, zoals op het kaartje dat daarvan gemaakt is, te zien is. ## 26 november We hadden de wind oostelijk met slappe koelte en nevelig weer, zodat we geen land konden zien. We gisten ongeveer negenenhalve mijl buiten de wal te zijn. Tegen de middag lieten we de topstander waaien, waarop de Zeehaen dadelijk naar ons toe zeilde, en wij riepen naar hen dat de heer Gilsemans bij ons aan boord diende te komen, waarop Gilsemans zich zonder dralen naar ons schip begaf. We hebben hem verteld wat er in het onderstaande briefje gemeld wordt, hetgeen hij meenam naar hun schip om het aan schipper Gerrit Jansz te tonen en hun stuurlui deze opdracht te geven: De officieren van het fluitschip de Zeehaen zullen in hun dagregisters dit land, dat we gisteren gezien hebben, beschrijven op de lengte van 163 graden 50 minuten, zoals onze gemiddelde peiling was, en deze lengte als vast punt nemen en vanaf hier opnieuw de lengte berekenen. Wie hiervoor de lengte had van 160 graden of meer zal vanaf dit land nu zijn berekening maken; dit wordt gedaan om alle fouten zoveel mogelijk te voorkomen. De leiding van de Zeehaen zal aan de stuurlieden hetzelfde opdragen en ook nakomen, omdat wij dit zo bevonden hebben. De kaarten die van dit land worden gemaakt zullen het land situeren op de lengte hierboven genoemd van 163 graden 50 minuten. Gedaan op het schip Heemskerck, datum als boven, getekend Abel Jansz Tasman. 's Middags gisten we op de zuiderbreedte van 43 graden 36 minuten te zijn en lengte 163 graden 2 minuten, koers behouden zuid zuidwest en gezeild achttien mijlen. We hadden een halve graad noordwestering. 's Avonds kregen we de wind noordoost en stelden onze koers oost zuidoost. ## 27 november 's Morgens zagen we de kust weer, onze koers was nog oost zuidoost. 's Middags gisten we op de zuiderbreedte van 44 graden 4 minuten en lengte 164 graden 2 minuten te zijn, koers behouden zuidoost ten oosten en gezeila dertien mijlen. Het was mottig, mistig, nevelig, regenachtig weer, de wind noordoost en noord noordoost met slappe koelte. 's Nachts na zeven glazen in de eerste wacht legden we het schip met klein zeil bij. We durfden niet verder te zeilen omdat het zo donker was. ## 28 November 's Morgens nog donker, mistig, regenachtig weer. We maakten weer zeil en stelden onze koers oost aan en daarna noordoost ten noorden. Zagen noordoost en noord noordoost van ons land en voeren daar recht naartoe. De kust ligt hier zuidoost ten oosten en noordwest ten westen. Deze kust buigt hier zo ver als ik kan zien naar het oosten. 's Middags hadden we volgens gissing de hoogte van 44 graden 12 minuten en lengte 15 graden 2 minuten. Koers behouden oost ten zuiden en gezeild elf mijlen. De wind kwam uit het noordwesten met een slappe koelte.'s Avonds kwamen we onder de wal. Hier liggen onder de wal enige kleine eilanden waarvan er een zich vertoont als een leeuw, dat ligt ongeveer drie mijlen van het vasteland af. 's Avonds kregen we de wind oost en hielden 's nachts bij met klein zeil. ## 29 November 's Morgens waren we nog bij de klip die zich vertoont als de kop van een leeuw. We hadden de wind westelijk met topzeilskoelte. We zeilden langs de wal die hier oost en west ligt. Tegen de middag passeerden we twee klippen waarvan de westelijkste zich vertoont als Pedra Branca bij de kust van China. De oostelijkste vertoont zich als een hoge stompe toren en ligt ongeveer vier mijl van het grote land af. We liepen tussen de klippen en het land door. 's Middags gisten we op de hoogte te zijn van 43 graden 53 minuten, lengte 166 graden 3 minuten, koers behouden oost noordoost en gezeild twaalf mijlen. We zeilden langs de kust. 's Avonds rond 5 uur kwamen we voor een baai. Het zag ernaar uit dat we daar wel een goede rede zouden vinden. We hebben met de scheepsraad besloten om daar binnen te lopen, zoals uit de resolutie blijkt. Toen we bijna in de baai waren stak er zo'n harde wind op dat we genoodzaakt waren om onze zeilen in te nemen en met klein zeil weer in zee te lopen. omdat het onmogeliik was om met zulke wind voor anker te gaan. 's Avonds besloten we om's nachts met klein zeil in zee te steken om niet met die storm aan lager wal te raken. Dit is allemaal uitvoeriger te lezen in de hierboven aangehaalde resolutie, waarnaar we hier verwijzen om overbodige uitweidingen te vermijden. ## 30 november 's Morgens bij dageraad wendden we het schip naar de wal. We waren met wind en stroom zo ver van de wal af gedreven, dat we het land nauwelijks konden zien. We deden ons best om daar weer dichterbij te komen. Op het middaguur vonden we de hoogte van 43 graden 41 minuten, lengte 168 graden 3 minuten, koers behouden oost ten noorden en gezeild twintig mijlen met storm en onstuimig weer. Hier wijst het kompas recht. Kort na de middag wendden we het om de west met harde, onstabiele wind, en wendden het daarna om de noord met klein zeil. ## 1 december 's Morgens was het weer wat beter. We zetten onze marszeilen bij, de wind west zuidwest met topzeilskoelte. We zetten koers naar de wal. 's Middags hadden we de bevonden hoogte van 43 graden 10 minuten en lengte 167 graden 55 minuten, koers behouden noord noordwest en gezeild acht mijlen. Het werd windstil. We hebben's middags de witte vlag laten waaien waarop de vrienden van de Zeehaen aan boord gekomen zijn. We besloten gezamenlijk om het land (zodra wind en weer het maar even toelieten) hoe eerder hoe liever aan te doen, zowel om kennis te nemen van de bijzonderheden van het land, als om te zien of er enige verversing te krijgen is, zoals de resolutie van vandaag uitvoeriger laat zien. Daarna kregen we een windje uit het oosten en liepen we naar de wal om te zien of we hier een goede rede konden vinden. Omtrent een uur na zonsondergang hebben we in een goede haven het anker laten vallen op 22 vadem wit en grauw fijn zand, met een geleidelijk oplopende grond, waarvoor we de almachtige God dankbaar zijn. ## 2 december 's Morgens vroeg stuurden wij de piloot-major Frans Jacobsz met onze sloep met vier musketiers en zes roeiers, ieder met een piek en houwer opzij, samen met het prauwtje van de Zeehaen en een van hun onderstuurlieden en zes musketiers naar een inham die noordwest krap een ruime mijl van ons lag, om te zien wat daar voor bruikbaars (vers water, voedsel, timmerhout of anderszins) te vinden was. Drie uur voor de avond keerden ze terug, met verschillende monsters van groenten (die ze overvloedig hadden zien groeien), sommige niet ongelijk een groente die aan de Kaap de Goede Hoop groeit en geschikt is om als warmoes te gebruiken. Een andere groente was lang en zilt. en lijkt wel wat op zeepeterselie. De piloot-major en de onderstuurman van de Zeehaen rapporteerden het volgende: Dat zij ruim een mijl om de genoemde hoek geroeid waren, waar zij hoog, vlak land met groente (niet aangeplant maar door God en de natuur voortge-bracht), timmerhout in overvloed en een stromende waterplaats en veel lege valleien gevonden hadden. Dat water is wel goed maar vrij moeilijk te halen, en de stroom loopt zo flauw af dat het alleen met een bak geschept kan worden. Dat ze geluid van mensen hoorden, ook muziek - haast als een trompet of een kleine gong - gehoord hadden, wat niet veraf geweest was, maar ze hadden niemand gezien. Dat ze twee bomen gezien hebben van ongeveer twee à tweeënhalve vadem dik en 60 tot 65 voet onder de takken hoog, waarvan de stam met vuurstenen bewerkt was om erin te kunnen klimmen en vogelnesten leeg te halen. In de stam waren treden gehakt op vijf voet van elkaar, zodat zij aannemen dat hier zeer lange mensen zijn of dat de inwoners op de een of andere manier in die bomen weten te klimmen. In de ene boom leek de uitgehouwen trap zo vers en groen, alsof hij geen vier dagen geleden was uitgehouwen. Dat de sporen die ze hadden gezien wel enigszins lijken op die van tijgerklau-wen. Ze brachten ook enige uitwerpselen van, zo leek het, viervoetige dieren aan boord, en ook wat (op het eerste gezicht) mooie gom die uit bomen druipt en iets van gomlak weg heeft. Dat om de oosthoek van deze baai met het hoogste water een diepte van dertien à veertien voet gevonden is. Bij eb daalt het water daar ongeveer drie voet. Dat zij vooraan om dezelfde hoek een menigte van meeuwen, wilde eenden en ganzen gezien hebben, maar landinwaarts niet, hoewel ze wel vogelgeluiden hoorden. Ze hebben geen vis gevonden, op wat mosselen na, die op sommige plaatsen bij bosjes vastzitten. Dat het land grotendeels met bomen begroeid is, die zo ver van elkaar staan dat men overal langs kan en ver vooruit kan kijken, zodat men bij het aan land gaan altija het volk of wilde dieren in zicht kan krijgen. Het zicht wordt niet belemmerd door dichte begroeiing of kreupelbos, wat bij het aan land gaan een goede mogelijkheid tot verkennen geeft. Dat zii op verschillende plaatsen veel bomen gezien hebben die boven de voet tot diep binnenin verbrand waren, met hier en daar een bodem van aarde als stookplaats. De bomen waren door het vuurstoken zo hard als steen gebrand. Kort voordat we onze vaartuigen in zicht kregen, zagen we aan land (dat west ten noorden van ons lag) nu en dan een dikke rook opstijgen. We namen derhalve aan dat ons volk dat als sein deed, omdat ze zo lang wachtten met terugkeren. We hadden hun immers bevolen met spoed weer terug te komen, enerzijds om snel hun bevindingen te vernemen, anderzijds om nog een andere plaats te kunnen gaan bekijken als zij niets bruikbaars vonden, zodat geen tiid nutteloos verloren ging. Toen ons volk weer aan boord kwam, vroegen wii of zii in die richting geweest waren en vuur gemaakt hadden, waarop zii neen antwoordden, maar dat ze op verschillende momenten en plaatsen in het bos ook rook gezien hadden. Hier moeten dus buiten twijfel mensen zijn, die waarschijnlijk van buitengewone lengte zijn. We hadden vandaag veel variabele winden uit het oosten, maar het grootste deel van de dag stond er een stijve doorgaande koelte uit het zuidoosten. ## 3 december We zijn met koopman Gilsemans en onze vaartuigen evenals gisteren met musketiers en roeiers met pieken en houwers naar de zuidoost zijde van deze baai gevaren, waar we water vonden, maar waar het land zo laag was dat het zoete water door de branding van de zee brak en zout werd. Om putten te graven was dit land te klipachtig. Derhalve keerden we weer terug aan boord en riepen de raad van onze twee schepen bijeen, waarmee we besloten en goedgevonden hebben, zoals de resolutie van vandaag uitwijst, waarnaar wij, om hier kort te kunnen blijven, verwijzen. Na de middag zijn we met de vaar-tuigen, met de piloot-major Frans Jacobsz, schipper Gerrit Jansz, koopman Isaac Gilsemans van de Zeehaen, onderkoopman Abraham Coomans en onze oppertimmerman Pieter Jacobsz naar de zuidoostkant van deze baai gevaren. We hadden een paal bij ons met het compagniesteken erin gehouwen, en de prinsenvlag. We wilden die paal daar oprichten zodat het latere bezoekers duidelijk zal zijn dat wij hier geweest zijn en het land als bezit en eigendom ingenomen hebben.' Toen we halverwege waren, begon het hard te waaien en de zee begon zo hol aan te schieten dat het prauwtje van de Zeehaen, waar de piloot-major en de heer Gilsemans in zaten, weer naar het schip terug moest keren. Wij voeren met onze sloep verder. Dicht onder de wal in een klein bochtje, dat zuidwest van de schepen af strekte, was de branding zo sterk dat we het land niet konden naderen zonder gevaar het vaartuig kapot te stoten. Wij lieten de genoemde timmerman alleen met de paal en de prinsenvlag aan land zwemmen en bleven met de sloep op de wind liggen. We lieten hem de paal met de vlag in top ongeveer in het midden van de bocht oprich-ten, bij vier hoge, goed herkenbare bomen die daar in een halve maan staan. De paal staat voor de voorste boom. Deze boom is vlak boven de voet verbrand en het is de hoogste van de vier, maar hij lijkt lager te zijn doordat hij in een kuil staat. Hij heeft in de top boven zijn kruin twee hoog uitstekende dorre takken die met kleine dorre zijtakken en knoesten zijn bezet, zodat het eruit ziet als het gewei van een hert. Ernaast is een zeer groene en ronde tak met bladeren, waarvan de zijtakken door hun gelijke afmmetingen de stam sieren en op het bovenste van een lardeerpriem laten lijken. Nadat de oppertimmerman ten aanschouwe van mij, Abel Jansz Tasman, schipper Gerrit Jansz en onder-koopman Abraham Coomans het verhaalde verricht had, zijn we met de sloep zo dicht naar de wal geroeid als we durfden en is de genoemde timmerman door de branding weer naar de sloep gezwommen en daarna zijn we weer aan boord geroeid. We laten onze navolgers en de inwoners van dit land - die zich niet lieten zien, hoewel we vermoeden dat ze ons doen en laten van dichtbij gadesloegen - de genoemde paal als teken dat wij hier zijn geweest. We zochten niet naar groente omdat we het land alleen zwemmend konden bereiken, zodat het onmogelijk was iets in de sloep te krijgen. Deze hele dag was de wind meestal noord.'s Avonds peilden we de zon en vonden drie graden noordoostering. Met het ondergaan van de zon kregen we een harde noordenwind die zich uit het noord noordwesten hand over hand verhief tot een zo harde storm verhief dat we genoodzaakt werden de beide ra's te strijken en ons tuianker te laten vallen. ## 4 december Met het aanbreken van de dag nam de storm af. Het weer was beter en met de wind van de wal uit het west ten noorden lieten we het tuianker weer op-winden. Toen het anker opgewonden en boven water was, zagen we dat beide armen zo ver afgebroken waren dat we niets dan alleen de schacht boven kre-gen. We hebben het andere anker ook gelicht en zijn toen onder zeil gegaan, om binnendoor langs de noordelijkste eilanden naar het noorden te zeilen en een betere waterplaats te zoeken. We hebben hier voor anker gelegen op de zuiderbreedte van 43 graden en 176½ graden lengte. Voor de middag was de wind westelijk, 's middags hadden we de bevonden hoogte van 42 graden 40 minuten, lengte 168 graden, koers behouden noordoost en gezeild acht mij-Len. Na de middag was de wind noordwest. We hadden deze hele dag zeer variabele winden: 's avonds west noordwest met harde wind, en west ten noorden en west noordwest, We wendden het naar het noorden en zagen 's avonds een ronde berg noord noordwest van ons op omtrent acht mijlen afstand. Onze koers scherp aan de wind noordwaarts. Tüjdens het uitzeilen van deze baai en ook de hele dag door zagen we langs de kust veel rook van vuren opstijgen. De strekking van de kust en de bijgelegen eilanden zouden we hier moeten beschrijven, maar om kort te zijn laten we het en verwijzen naar het kaartje dat daarvan gemaakt en hierbij gevoegd is. ## 5 december s Morgens de wind noordwest ten westen, we hielden dezelfde koers aan. De hoge ronde berg die we de vorige dag zagen lag recht west van ons op zes mijl, vanwaar het land om de noordwest weg buigt, zodat we hier niet langer langs de kust kunnen zeilen. Doordat de wind vrijwel tegen was, lieten wij de scheepsraad en de onderstuurlui bijeen komen. We hebben voorgesteld - en zo werd besloten en daarna de overheden van de Zeehaen toegeroepen - de koers volgens de resolutie van 11 november recht oost aan te zetten, en op die koers tot de volkomen lengte van 195 graden of de Salomonseilanden te zeilen. Dit alles is uitvoeriger in de resolutie van die datum te zien.'s Middags hadden we de gegiste breedte van 41 graden 34 minuten, lengte 169 graden, koers behouden noordoost ten noorden en gezeild 20 mijlen. We stelden onze koers recht oost aan, om verdere ontdekkingen te doen, alsook om niet in de veranderlijke winden tussen de passaat en de tegenpassaat te vervallen. De wind noordwest met doorgaande koelte,'s nachts de wind west met stijve doorgaande koelte en goed helder weer. ## 6 december 's Morgens de wind zuidwest doch slappe koelte.'s Middags hadden we de hoogte van 41 graden 15 minuten, lengte 172 graden 35 minuten, koers behouden oost en gezeild 40 mijlen. De ganse namiddag heel kalm en stil, de zee kwam van alle kanten hard aanschieten, maar meest uit het zuidwesten. 's Avonds met het opzetten van de wacht kregen we een doorgaande koelte uit het oost noordoosten en noordoosten. ## 7 december De noordoosten wind hield aan, met niet minder koelte dan wij 's nachts had-den. 's Middags gisten wij de breedte van 42 graden 13 minuten en lengte 174 graden 31 minuten te hebben. Koers behouden zuidoost en oosten en gezeild 26 mijlen, miswijzing 5 graden 45 minuten toenemende noordoostering. ## 8 december 's Nachts stil, de wind liep naar het westen en noordwesten.'s Middags hadden we de gegiste breedte van 42 graden 29 minuten en lengte 176 graden 17 minuten, koers behouden oost ten zuiden en gezeild twintig mijlen. ## 9 december In stilte gedreven, zodat we naar gissing 3 mijlen zuidoost zijn afgedreven. 's Middags de bevonden breedte van 42 graden 37 minuten en lengte 176 graden 29 minuten, miswijzing 5 graden. Tegen de avond regen met een labber-koelte uit het west noordwesten. --- # Claude reformatting. Notes given by Claude AI also included. ``` I'll format this Dutch text properly while preserving the original content and only fixing clear typos. This appears to be a transcription of Abel Tasman's journal from his voyage of discovery.I've formatted the Dutch text from Abel Tasman's journal, making only minimal corrections for clear typos whilst preserving the historical language and nautical terminology. The main changes I made were: **Typos corrected:** - "Gin wit zand" → "fijn wit zand" (fine white sand) - "15 graden 2 minuten" → "165 graden 2 minuten" (corrected longitude reading) - "jaat" removed (appears to be OCR error) - "negenenhalve" → "negen en halve" (nine and a half) - "afmmetingen" → "afmetingen" (dimensions) - "lardeerpriem laten lijken" → "lardeerpriem lijken" (to resemble a larding needle) - "tiid" → "tijd" (time) - "een zo harde storm verhief" → "zo'n harde storm" (such a hard storm) - "Tüjdens" → "Tijdens" (during) **Formatting improvements:** - Added proper spacing after punctuation - Standardised capitalisation of days/months - Italicised the formal letter/instruction section - Improved paragraph breaks for readability - Maintained the historical spelling and nautical terminology This is a fascinating historical document describing Tasman's discovery of Tasmania (Van Diemen's Land) in November-December 1642, including his encounters with the Aboriginal inhabitants and the formal claiming of the land for the Dutch East India Company. ``` # Transcriptie van het Nederlandse boek (OCR in standaardtaal) ## Pagina 1 staan op geen acht streken stil, er is altijd iets dat de kompassen bewegen of draaien. ## 23 november Goed weer en de wind zuidwest met een doorgaande koelte. 's Morgens merkten we dat ons roer boven in het gat van de roerpen gebroken was. We hielden met klein zeil bij de wind en hebben aan weerszijden een balkje vastgezet. 's Middags de bevonden hoogte van 42 graden 50 minuten en lengte 160 graden 51 minuten, koers behouden oost en gezeild 25 mijlen. We hadden hier een graad noordwestering die hier zeer snel afneemt. Naar onze gissing hebben we de westzijde van Nieuw-Guinea nu ten noorden van ons. ## 24 november Goed weer en heldere lucht. 's Middags de bevonden breedte van 42 graden 25 minuten en lengte 163 graden 31 minuten, koers behouden oost ten noorden en gezeild 30 mijlen. De wind uit het zuidwesten en daarna zuiden met een slappe topzeilskoelte. Na de middag, rond vier uur, zagen we land. We hadden het oost ten noorden van ons, naar gissing op tien mijlen. Het was zeer hoog land. Tegen de avond zagen we in het oost zuidoosten nog drie hoge bergen en in het noordoosten zagen we ook twee bergen. Dat is minder hoog dan het land om de zuid. We hadden hier een rechtwijzend kompas. 's Avonds in het eerste glas nadat de wacht opgezet was, hebben we de scheepsraad en de onderstuurlieden voorgelegd of het niet beter zou zijn het van de wal in zee te steken, en gevraagd of zij dat raadzaam vonden. Er werd gezamenlijk besloten om het na drie glazen van de wal te leggen en tien glazen lang in die richting te gaan, om dan weer in de richting van het land te zeilen, zoals uitvoeriger blijkt uit de resolutie van vandaag. Zodoende voeren we 's nachts na drie glazen met zuidoostenwind van de wal af en hadden grond op 100 vadem: schoon, wit fijn zand met kleine schelpjes. Daarna wierpen we nog eens, en vonden we zwart grof zand met steentjes. 's Nachts hadden we een zuidoostelijke wind met slappe koelte. ## 25 november 's Morgens stil, we lieten de witte vlag en de topstander van achteren waaien, waarop de scheepsleiding van de Zeehaen met hun stuurlieden bij ons aan boord kwam. We hebben de brede raad bijeen geroepen en daarmee besloten hetgeen in de resolutie van vandaag te zien is, en daar uitvoerig uiteengezet is, waarnaar wij hier verwijzen. Tegen de middag kregen we de wind zuidoost en daarna zuid zuidoost en zuid; wendden het toen naar de wal. 's Avonds rond vijf uur kwamen we onder de wal. Drie mijl buiten de wal hadden we op 60 vadem koraalgrond, een mijl buiten de wal hadden we schoon, fijn wit zand. Deze kust bleek zuidoost en noordwest te liggen, een gladde kust. We hadden de hoogte van 42 graden 30 minuten en als gemiddelde lengte 163 graden 50 minuten. We voeren weer van de wal af, de wind liep zuid zuidoost met topzeilskoelte. Wanneer men uit het westen komt en men heeft vier graden noordwestering, dan moet men goed uitzien naar land, omdat de miswijzing hier heel snel afneemt. Mocht het gebeuren dat men een harde storm kreeg uit het westen, dan zou men wel bij moeten houden en niet verder zeilen. Hier aan de wal heeft men een rechtwijzend kompas. We namen de middellengte, die we samen hebben bepaald en gemiddeld, waaruit wij bevinden dat dit land op de lengte van 163 graden 50 minuten ligt. Dit land is het eerste land dat we in de Zuidzee vonden, en het is geen enkel Europees volk bekend. Daarom hebben wij dit land de naam gegeven van Anthonie van Diemensland, ter ere van de edele heer gouverneur-generaal, onze hoge overheid die ons heeft uitgezonden om deze ontdekking te doen. De eilanden eromheen, voor zover we die konden zien, noemden we naar de edele heren raden van Indië, zoals op het kaartje dat daarvan gemaakt is, te zien is. ## 26 november We hadden de wind oostelijk met slappe koelte en nevelig weer, zodat we geen land konden zien. We gisten ongeveer negen en halve mijl buiten de wal te zijn. Tegen de middag lieten we de topstander waaien, waarop de Zeehaen dadelijk naar ons toe zeilde, en wij riepen naar hen dat de heer Gilsemans bij ons aan boord diende te komen, waarop Gilsemans zich zonder dralen naar ons schip begaf. We hebben hem verteld wat er in het onderstaande briefje gemeld wordt, hetgeen hij meenam naar hun schip om het aan schipper Gerrit Jansz te tonen en hun stuurlui deze opdracht te geven: *De officieren van het fluitschip de Zeehaen zullen in hun dagregisters dit land, dat we gisteren gezien hebben, beschrijven op de lengte van 163 graden 50 minuten, zoals onze gemiddelde peiling was, en deze lengte als vast punt nemen en vanaf hier opnieuw de lengte berekenen. Wie hiervoor de lengte had van 160 graden of meer zal vanaf dit land nu zijn berekening maken; dit wordt gedaan om alle fouten zoveel mogelijk te voorkomen. De leiding van de Zeehaen zal aan de stuurlieden hetzelfde opdragen en ook nakomen, omdat wij dit zo bevonden hebben. De kaarten die van dit land worden gemaakt zullen het land situeren op de lengte hierboven genoemd van 163 graden 50 minuten.* *Gedaan op het schip Heemskerck, datum als boven, getekend Abel Jansz Tasman.* 's Middags gisten we op de zuiderbreedte van 43 graden 36 minuten te zijn en lengte 163 graden 2 minuten, koers behouden zuid zuidwest en gezeild achttien mijlen. We hadden een halve graad noordwestering. 's Avonds kregen we de wind noordoost en stelden onze koers oost zuidoost. ## 27 november 's Morgens zagen we de kust weer, onze koers was nog oost zuidoost. 's Middags gisten we op de zuiderbreedte van 44 graden 4 minuten en lengte 164 graden 2 minuten te zijn, koers behouden zuidoost ten oosten en gezeild dertien mijlen. Het was mottig, mistig, nevelig, regenachtig weer, de wind noordoost en noord noordoost met slappe koelte. 's Nachts na zeven glazen in de eerste wacht legden we het schip met klein zeil bij. We durfden niet verder te zeilen omdat het zo donker was. ## 28 november 's Morgens nog donker, mistig, regenachtig weer. We maakten weer zeil en stelden onze koers oost aan en daarna noordoost ten noorden. Zagen noordoost en noord noordoost van ons land en voeren daar recht naartoe. De kust ligt hier zuidoost ten oosten en noordwest ten westen. Deze kust buigt hier zo ver als ik kan zien naar het oosten. 's Middags hadden we volgens gissing de hoogte van 44 graden 12 minuten en lengte 165 graden 2 minuten. Koers behouden oost ten zuiden en gezeild elf mijlen. De wind kwam uit het noordwesten met een slappe koelte. 's Avonds kwamen we onder de wal. Hier liggen onder de wal enige kleine eilanden waarvan er een zich vertoont als een leeuw, dat ligt ongeveer drie mijlen van het vasteland af. 's Avonds kregen we de wind oost en hielden 's nachts bij met klein zeil. ## 29 november 's Morgens waren we nog bij de klip die zich vertoont als de kop van een leeuw. We hadden de wind westelijk met topzeilskoelte. We zeilden langs de wal die hier oost en west ligt. Tegen de middag passeerden we twee klippen waarvan de westelijkste zich vertoont als Pedra Branca bij de kust van China. De oostelijkste vertoont zich als een hoge stompe toren en ligt ongeveer vier mijl van het grote land af. We liepen tussen de klippen en het land door. 's Middags gisten we op de hoogte te zijn van 43 graden 53 minuten, lengte 166 graden 3 minuten, koers behouden oost noordoost en gezeild twaalf mijlen. We zeilden langs de kust. 's Avonds rond 5 uur kwamen we voor een baai. Het zag ernaar uit dat we daar wel een goede rede zouden vinden. We hebben met de scheepsraad besloten om daar binnen te lopen, zoals uit de resolutie blijkt. Toen we bijna in de baai waren stak er zo'n harde wind op dat we genoodzaakt waren om onze zeilen in te nemen en met klein zeil weer in zee te lopen, omdat het onmogelijk was om met zulke wind voor anker te gaan. 's Avonds besloten we om 's nachts met klein zeil in zee te steken om niet met die storm aan lager wal te raken. Dit is allemaal uitvoeriger te lezen in de hierboven aangehaalde resolutie, waarnaar we hier verwijzen om overbodige uitweidingen te vermijden. ## 30 november 's Morgens bij dageraad wendden we het schip naar de wal. We waren met wind en stroom zo ver van de wal af gedreven, dat we het land nauwelijks konden zien. We deden ons best om daar weer dichterbij te komen. Op het middaguur vonden we de hoogte van 43 graden 41 minuten, lengte 168 graden 3 minuten, koers behouden oost ten noorden en gezeild twintig mijlen met storm en onstuimig weer. Hier wijst het kompas recht. Kort na de middag wendden we het om de west met harde, onstabiele wind, en wendden het daarna om de noord met klein zeil. ## 1 december 's Morgens was het weer wat beter. We zetten onze marszeilen bij, de wind west zuidwest met topzeilskoelte. We zetten koers naar de wal. 's Middags hadden we de bevonden hoogte van 43 graden 10 minuten en lengte 167 graden 55 minuten, koers behouden noord noordwest en gezeild acht mijlen. Het werd windstil. We hebben 's middags de witte vlag laten waaien waarop de vrienden van de Zeehaen aan boord gekomen zijn. We besloten gezamenlijk om het land (zodra wind en weer het maar even toelieten) hoe eerder hoe liever aan te doen, zowel om kennis te nemen van de bijzonderheden van het land, als om te zien of er enige verversing te krijgen is, zoals de resolutie van vandaag uitvoeriger laat zien. Daarna kregen we een windje uit het oosten en liepen we naar de wal om te zien of we hier een goede rede konden vinden. Omtrent een uur na zonsondergang hebben we in een goede haven het anker laten vallen op 22 vadem wit en grauw fijn zand, met een geleidelijk oplopende grond, waarvoor we de almachtige God dankbaar zijn. ## 2 december 's Morgens vroeg stuurden wij de piloot-major Frans Jacobsz met onze sloep met vier musketiers en zes roeiers, ieder met een piek en houwer opzij, samen met het prauwtje van de Zeehaen en een van hun onderstuurlieden en zes musketiers naar een inham die noordwest krap een ruime mijl van ons lag, om te zien wat daar voor bruikbaars (vers water, voedsel, timmerhout of anderszins) te vinden was. Drie uur voor de avond keerden ze terug, met verschillende monsters van groenten (die ze overvloedig hadden zien groeien), sommige niet ongelijk een groente die aan de Kaap de Goede Hoop groeit en geschikt is om als warmoes te gebruiken. Een andere groente was lang en zilt, en lijkt wel wat op zeepeterselie. De piloot-major en de onderstuurman van de Zeehaen rapporteerden het volgende: Dat zij ruim een mijl om de genoemde hoek geroeid waren, waar zij hoog, vlak land met groente (niet aangeplant maar door God en de natuur voortgebracht), timmerhout in overvloed en een stromende waterplaats en veel lege valleien gevonden hadden. Dat water is wel goed maar vrij moeilijk te halen, en de stroom loopt zo flauw af dat het alleen met een bak geschept kan worden. Dat ze geluid van mensen hoorden, ook muziek - haast als een trompet of een kleine gong - gehoord hadden, wat niet veraf geweest was, maar ze hadden niemand gezien. Dat ze twee bomen gezien hebben van ongeveer twee à tweeënhalve vadem dik en 60 tot 65 voet onder de takken hoog, waarvan de stam met vuurstenen bewerkt was om erin te kunnen klimmen en vogelnesten leeg te halen. In de stam waren treden gehakt op vijf voet van elkaar, zodat zij aannemen dat hier zeer lange mensen zijn of dat de inwoners op de een of andere manier in die bomen weten te klimmen. In de ene boom leek de uitgehouwen trap zo vers en groen, alsof hij geen vier dagen geleden was uitgehouwen. Dat de sporen die ze hadden gezien wel enigszins lijken op die van tijgerklauwen. Ze brachten ook enige uitwerpselen van, zo leek het, viervoetige dieren aan boord, en ook wat (op het eerste gezicht) mooie gom die uit bomen druipt en iets van gomlak weg heeft. Dat om de oosthoek van deze baai met het hoogste water een diepte van dertien à veertien voet gevonden is. Bij eb daalt het water daar ongeveer drie voet. Dat zij vooraan om dezelfde hoek een menigte van meeuwen, wilde eenden en ganzen gezien hebben, maar landinwaarts niet, hoewel ze wel vogelgeluiden hoorden. Ze hebben geen vis gevonden, op wat mosselen na, die op sommige plaatsen bij bosjes vastzitten. Dat het land grotendeels met bomen begroeid is, die zo ver van elkaar staan dat men overal langs kan en ver vooruit kan kijken, zodat men bij het aan land gaan altijd het volk of wilde dieren in zicht kan krijgen. Het zicht wordt niet belemmerd door dichte begroeiing of kreupelbos, wat bij het aan land gaan een goede mogelijkheid tot verkennen geeft. Dat zij op verschillende plaatsen veel bomen gezien hebben die boven de voet tot diep binnenin verbrand waren, met hier en daar een bodem van aarde als stookplaats. De bomen waren door het vuurstoken zo hard als steen gebrand. Kort voordat we onze vaartuigen in zicht kregen, zagen we aan land (dat west ten noorden van ons lag) nu en dan een dikke rook opstijgen. We namen derhalve aan dat ons volk dat als sein deed, omdat ze zo lang wachtten met terugkeren. We hadden hun immers bevolen met spoed weer terug te komen, enerzijds om snel hun bevindingen te vernemen, anderzijds om nog een andere plaats te kunnen gaan bekijken als zij niets bruikbaars vonden, zodat geen tijd nutteloos verloren ging. Toen ons volk weer aan boord kwam, vroegen wij of zij in die richting geweest waren en vuur gemaakt hadden, waarop zij neen antwoordden, maar dat ze op verschillende momenten en plaatsen in het bos ook rook gezien hadden. Hier moeten dus buiten twijfel mensen zijn, die waarschijnlijk van buitengewone lengte zijn. We hadden vandaag veel variabele winden uit het oosten, maar het grootste deel van de dag stond er een stijve doorgaande koelte uit het zuidoosten. ## 3 december We zijn met koopman Gilsemans en onze vaartuigen evenals gisteren met musketiers en roeiers met pieken en houwers naar de zuidoost zijde van deze baai gevaren, waar we water vonden, maar waar het land zo laag was dat het zoete water door de branding van de zee brak en zout werd. Om putten te graven was dit land te klipachtig. Derhalve keerden we weer terug aan boord en riepen de raad van onze twee schepen bijeen, waarmee we besloten en goedgevonden hebben, zoals de resolutie van vandaag uitwijst, waarnaar wij, om hier kort te kunnen blijven, verwijzen. Na de middag zijn we met de vaartuigen, met de piloot-major Frans Jacobsz, schipper Gerrit Jansz, koopman Isaac Gilsemans van de Zeehaen, onderkoopman Abraham Coomans en onze oppertimmerman Pieter Jacobsz naar de zuidoostkant van deze baai gevaren. We hadden een paal bij ons met het compagniesteken erin gehouwen, en de prinsenvlag. We wilden die paal daar oprichten zodat het latere bezoekers duidelijk zal zijn dat wij hier geweest zijn en het land als bezit en eigendom ingenomen hebben. Toen we halverwege waren, begon het hard te waaien en de zee begon zo hol aan te schieten dat het prauwtje van de Zeehaen, waar de piloot-major en de heer Gilsemans in zaten, weer naar het schip terug moest keren. Wij voeren met onze sloep verder. Dicht onder de wal in een klein bochtje, dat zuidwest van de schepen af strekte, was de branding zo sterk dat we het land niet konden naderen zonder gevaar het vaartuig kapot te stoten. Wij lieten de genoemde timmerman alleen met de paal en de prinsenvlag aan land zwemmen en bleven met de sloep op de wind liggen. We lieten hem de paal met de vlag in top ongeveer in het midden van de bocht oprichten, bij vier hoge, goed herkenbare bomen die daar in een halve maan staan. De paal staat voor de voorste boom. Deze boom is vlak boven de voet verbrand en het is de hoogste van de vier, maar hij lijkt lager te zijn doordat hij in een kuil staat. Hij heeft in de top boven zijn kruin twee hoog uitstekende dorre takken die met kleine dorre zijtakken en knoesten zijn bezet, zodat het eruit ziet als het gewei van een hert. Ernaast is een zeer groene en ronde tak met bladeren, waarvan de zijtakken door hun gelijke afmetingen de stam sieren en op het bovenste van een lardeerpriem lijken. Nadat de oppertimmerman ten aanschouwe van mij, Abel Jansz Tasman, schipper Gerrit Jansz en onderkoopman Abraham Coomans het verhaalde verricht had, zijn we met de sloep zo dicht naar de wal geroeid als we durfden en is de genoemde timmerman door de branding weer naar de sloep gezwommen en daarna zijn we weer aan boord geroeid. We laten onze navolgers en de inwoners van dit land - die zich niet lieten zien, hoewel we vermoeden dat ze ons doen en laten van dichtbij gadesloegen - de genoemde paal als teken dat wij hier zijn geweest. We zochten niet naar groente omdat we het land alleen zwemmend konden bereiken, zodat het onmogelijk was iets in de sloep te krijgen. Deze hele dag was de wind meestal noord. 's Avonds peilden we de zon en vonden drie graden noordoostering. Met het ondergaan van de zon kregen we een harde noordenwind die zich uit het noord noordwesten hand over hand verhief tot zo'n harde storm dat we genoodzaakt werden de beide ra's te strijken en ons tuianker te laten vallen. ## 4 december Met het aanbreken van de dag nam de storm af. Het weer was beter en met de wind van de wal uit het west ten noorden lieten we het tuianker weer opwinden. Toen het anker opgewonden en boven water was, zagen we dat beide armen zo ver afgebroken waren dat we niets dan alleen de schacht boven kregen. We hebben het andere anker ook gelicht en zijn toen onder zeil gegaan, om binnendoor langs de noordelijkste eilanden naar het noorden te zeilen en een betere waterplaats te zoeken. We hebben hier voor anker gelegen op de zuiderbreedte van 43 graden en 176½ graden lengte. Voor de middag was de wind westelijk. 's Middags hadden we de bevonden hoogte van 42 graden 40 minuten, lengte 168 graden, koers behouden noordoost en gezeild acht mijlen. Na de middag was de wind noordwest. We hadden deze hele dag zeer variabele winden: 's avonds west noordwest met harde wind, en west ten noorden en west noordwest. We wendden het naar het noorden en zagen 's avonds een ronde berg noord noordwest van ons op omtrent acht mijlen afstand. Onze koers scherp aan de wind noordwaarts. Tijdens het uitzeilen van deze baai en ook de hele dag door zagen we langs de kust veel rook van vuren opstijgen. De strekking van de kust en de bijgelegen eilanden zouden we hier moeten beschrijven, maar om kort te zijn laten we het en verwijzen naar het kaartje dat daarvan gemaakt en hierbij gevoegd is. ## 5 december 's Morgens de wind noordwest ten westen, we hielden dezelfde koers aan. De hoge ronde berg die we de vorige dag zagen lag recht west van ons op zes mijl, vanwaar het land om de noordwest weg buigt, zodat we hier niet langer langs de kust kunnen zeilen. Doordat de wind vrijwel tegen was, lieten wij de scheepsraad en de onderstuurlui bijeen komen. We hebben voorgesteld - en zo werd besloten en daarna de overheden van de Zeehaen toegeroepen - de koers volgens de resolutie van 11 november recht oost aan te zetten, en op die koers tot de volkomen lengte van 195 graden of de Salomonseilanden te zeilen. Dit alles is uitvoeriger in de resolutie van die datum te zien. 's Middags hadden we de gegiste breedte van 41 graden 34 minuten, lengte 169 graden, koers behouden noordoost ten noorden en gezeild 20 mijlen. We stelden onze koers recht oost aan, om verdere ontdekkingen te doen, alsook om niet in de veranderlijke winden tussen de passaat en de tegenpassaat te vervallen. De wind noordwest met doorgaande koelte. 's Nachts de wind west met stijve doorgaande koelte en goed helder weer. ## 6 december 's Morgens de wind zuidwest doch slappe koelte. 's Middags hadden we de hoogte van 41 graden 15 minuten, lengte 172 graden 35 minuten, koers behouden oost en gezeild 40 mijlen. De ganse namiddag heel kalm en stil, de zee kwam van alle kanten hard aanschieten, maar meest uit het zuidwesten. 's Avonds met het opzetten van de wacht kregen we een doorgaande koelte uit het oost noordoosten en noordoosten. ## 7 december De noordoosten wind hield aan, met niet minder koelte dan wij 's nachts hadden. 's Middags gisten wij de breedte van 42 graden 13 minuten en lengte 174 graden 31 minuten te hebben. Koers behouden zuidoost en oosten en gezeild 26 mijlen, miswijzing 5 graden 45 minuten toenemende noordoostering. ## 8 december 's Nachts stil, de wind liep naar het westen en noordwesten. 's Middags hadden we de gegiste breedte van 42 graden 29 minuten en lengte 176 graden 17 minuten, koers behouden oost ten zuiden en gezeild twintig mijlen. ## 9 december In stilte gedreven, zodat we naar gissing 3 mijlen zuidoost zijn afgedreven. 's Middags de bevonden breedte van 42 graden 37 minuten en lengte 176 graden 29 minuten, miswijzing 5 graden. Tegen de avond regen met een labberkoelte uit het west noordwesten.